buut - WikiWoordenboek (original) (raw)
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘mikpunt’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
- [2] [3]
het buut o [4]
- eindpunt bij loopspelen, meldingspunt bij verstoppertje
buut
- enkelvoud tegenwoordige tijd van buten
- gebiedende wijs van buten
| 68 % |
van de Nederlanders; |
| 10 % |
van de Vlamingen.[5] |
- ↑ "buut" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ buut op website: Etymologiebank.nl
- ↑ buut op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be