appendix - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord appendix appendices
verkleinwoord appendixje appendixjes

Zelfstandig naamwoord

appendix v/m en o

  1. iets wat ergens aan hangt, aanhangsel
    • Bij klassieke standbeelden zijn de vele fijne appendices vaak afgebroken.
  2. (anatomie) wormvormig aanhangsel van de blindedarm
    • Een blindedarm wordt ook wel oneigenlijk appendix genoemd.
  3. (plantkunde) driehoekig uitgroeisel aan de lip van orchideeën van het geslacht spiegelorchis (Ophrys)
    • Waarschijnsel speelt de appendix een rol bij het aantrekken van bestuivers.
  4. bijlage, document dat aan een ander schriftstuk toevoegd wordt (bv. een rekening)
    • Ik heb verscheidene facturen als appendix bij mijn belastingaangifte gevoegd.
  5. aanvullende informatie die achteraan een document toegevoegd wordt
    • Dit artikel heeft drie appendices.
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "appendix" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. appendix op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be