goed - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- goed
Woordherkomst en -opbouw
- bn: erfwoord, in de betekenis van ‘niet slecht’ aangetroffen vanaf 901 [1] [2] [3]
- zn: erfwoord via Middelnederlands goet van Oudnederlands guot, in de betekenis ‘bezit’ aangetroffen vanaf ca. 1100 [4] [5] [6] [2]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | goed | beter | best |
| verbogen | goedegoeie | betere | beste |
| partitief | goeds | beters | - |
Bijvoeglijk naamwoord
goed
- kwaliteit bezittend, aan verwachtingen voldoend
- Wat een goed stuk om te lezen!
▸ Langzaam kreeg ik door hoe ik ze het beste kon gebruiken en merkte ik dat ze mijn knieën vooral bergafwaarts ondersteunden.[7]
▸ Hoog niveau: Voorzitter Bob Hoogendoorn van het Koninklijk Nederlands Geologisch-Mijnbouwkundig Genootschap (KNGMG) valt hem bij. "Er is echt geen werkloze afgestudeerde op dit moment. Er is enorm veel vraag naar." Bovendien is de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek aan de VU van wereldniveau, benadrukt hij. Niet goedkoop weliswaar, mede door het veldwerk, maar wel erg goed.[8]
- Wat een goed stuk om te lezen!
- eerlijk en vriendelijk
- Hij was altijd goed voor ons.
- gezond, lekker
- Ik voel me niet zo goed sinds ik dat rauwe vlees heb gegeten.
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- goed geld naar kwaad geld gooien
- goede papieren hebben
- goede sier maken
- in een goed blaadje proberen te komen
- in een goed blaadje staan
erg aardig gevonden worden
- in goede aarde vallen
door de ontvanger goed ontvangen worden
- in goede dorpen zijn/geraken
zoveel verdiend hebben dat iemand niet meer hoeft te werken
- in goeden doen
welgesteld
- niet in een goed vel steken
altijd ziek zijn, nooit gezond
- op goede voet staan met iemand
goed kunnen opschieten
- op het goede spoor zetten
bruikbaar advies geven
- uit het goede hout gesneden
iemand is ergens geschikt voor
van aanzienlijke afkomst
- mij goed
het kan mij niets schelen
- het goed maken
in orde / herstellende zijn (hij maakt het goed)
Spreekwoorden
- [1] eind goed, al goed
eind goed, al goed - [1] haastige spoed is zelden goed
- goed begonnen is half gewonnen
- goed gereedschap is het halve werk
- goed voorbeeld doet goed volgen
- goed voorgaan doet goed volgen
- goede raad is duur
- goede waar prijst zichzelf
- goede wijn behoeft geen krans
- al te goed is buurmans gek
slachtoffer worden van je eigen goedheid / als iemand te goed is maken mensen gauw misbruik van iemand; geholpen hebben maar daar geen bedankje maar aanmerkingen op krijgen
- beter een goede buur dan een verre vriend
je hebt meer aan iemand in de buurt
- de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens
veel goede voornemens hebben zonder ze daadwerkelijk uit te voeren
- een goed begin is het halve werk
beter een goede start te maken dan later puin te moeten ruimen ofwel: met een goede voorbereiding kan het werk goed en snel gedaan worden
- een goed hart is goud waard
je treft niet snel meer mensen met een goed karakter
- een goed verstaander heeft maar een half woord nodig
als je luistert, dan snap je het meteen / iemand die goed luistert heeft niet veel uitleg nodig
- een goede buur is beter dan een verre vriend
een buurman die je helpt heb je meer aan dan aan iemand die je nooit ziet
- eind goed, al goed
de tegenslagen zijn gauw vergeten als het goed afloopt
- er is geen goed garen mee te spinnen
iemand die niet in staat is goed samen te werken
- geen nieuws is goed nieuws
zolang er geen nieuws over iets of iemand binnenkomt, kan men er doorgaans van uitgaan dat het goed (dat wil zeggen: niet slecht) gaat
- haast en spoed zijn zelden goed
snel dingen afhandelen, kan bijna nooit goed eindigen
- het is goed riemen snijden van andermans leer
het is gemakkelijk van andermans eigendom/geld te tracteren
- in troebel water is het goed vissen
men kan van de moeilijkheden van een ander gebruik maken om er z'n eigen voordeel mee te doen
- na gedane arbeid is het goed rusten
na het werk doet het goed te kunnen uitrusten
- wie goed doet, goed ontmoet
als iemand zich naar anderen goed gedraagt, behandelen anderen diegene ook goed
Vertalingen
Bijwoord
goed
- op goede wijze
- Goed gedaan!
▸ Ik kon niet alles goed volgen, maar het monotone geluid van stemmen om mij heen voelde veilig en vertrouwd.[7]
- Goed gedaan!
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- goedvinden: hij vond het goed.
▸ Want het was goed hier, om niet te zeggen perfect, en ik zag geen reden waarom ik hier niet net zo lang zou kunnen blijven tot ik wist waar ik naartoe moest gaan.[9]
- goedvinden: hij vond het goed.
- in hoge mate (vaak pejoratief)
- Het is goed mis in Nederland.
- Mijn dag is goed verpest.
- makkelijk, duidelijk
▸ De ambities van China zijn torenhoog. Dat is goed te merken tijdens een van de grootste autobeurzen in het land. Automerken proberen daar met de nieuwste gadgets consumenten te overtuigen voor hun auto te kiezen. Tom van Dillen van Greenkern, consultant in de auto-industrie, is op de autobeurs in Shanghai. Hij merkt vooral topdrukte wanneer de Chinese automerken nieuwe auto's presenteren.[10]
Synoniemen
- [1] correct, bewonderenswaardig, uitstekend, uitmuntend
- [3] behoorlijk, erg, nogal
Antoniemen
- [1] slecht, onvoldoende, matig
Uitdrukkingen en gezegden
- goed in de slappe was zitten
rijk zijn
- goed uit de verf komen
zich op een gunstige manier kunnen vertonen
- goed van de tongriem gesneden
welbespraakt
- net zo goed
evenzeer
- niet goed snik zijn
gek zijn (van een persoon)
- zo goed als
bijna
Ik ben zo goed als klaar met mijn scriptie.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | goed | goederen |
| verkleinwoord | goedje | goedjes |
Zelfstandig naamwoord
het goed o
- iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
- Gezondheid is een groot goed.
- (juridisch) alle zaken en alle vermogensrechten (volgens de definitie van 3:1 BW)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- goed en bloed offeren voor
alles overhebben voor
- have en goed (verliezen)
alles wat je hebt (verliezen)
Spreekwoorden
- gestolen goed gedijt niet
gestolen zaken brengen nooit voordeel
Vertalingen
1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
Gangbaarheid
- Het woord goed staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "goed" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 100 % | van de Vlamingen.[11] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- 1 2 goed op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "goed" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Oudnederlands Woordenboek
- 1 2
Tim Voors
“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers
- ↑
Weblink bron
Sven Schaap
“Werkveld luidt noodklok op actiedag tegen verdwijnen aardwetenschappen VU” (6 mei 2025), NOS - ↑ “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers
, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 18 - ↑
Weblink bron
Aïda Brands
“Chinese elektrische auto's booming in Europa ondanks heffingen” (24 april 2025), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Afrikaans
Uitspraak
- IPA: /χut/
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van het Nederlandse goed
Bijvoeglijk naamwoord
goed
- goed; kwaliteit bezittend
Fries
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van het Oudfriese gōd
Bijvoeglijk naamwoord
goed
- goed; kwaliteit bezittend
Verwijzingen
Nedersaksisch
| stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|
| onverbogen | goed | bèter |
| verbogen | goeie |
Bijvoeglijk naamwoord
goed
- goed; kwaliteit bezittend
Veluws
| stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|
| onverbogen | goed | bèter |
| verbogen | goeie |
Bijvoeglijk naamwoord
goed
- goed; kwaliteit bezittend
Zeeuws
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van het Middelnederlandse goet
Bijvoeglijk naamwoord
goed
- goed; kwaliteit bezittend