goed - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen goed beter best
verbogen goedegoeie betere beste
partitief goeds beters -

Bijvoeglijk naamwoord

goed

  1. kwaliteit bezittend, aan verwachtingen voldoend
    • Wat een goed stuk om te lezen!
      Langzaam kreeg ik door hoe ik ze het beste kon gebruiken en merkte ik dat ze mijn knieën vooral bergafwaarts ondersteunden.[7]
      Hoog niveau: Voorzitter Bob Hoogendoorn van het Koninklijk Nederlands Geologisch-Mijnbouwkundig Genootschap (KNGMG) valt hem bij. "Er is echt geen werkloze afgestudeerde op dit moment. Er is enorm veel vraag naar." Bovendien is de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek aan de VU van wereldniveau, benadrukt hij. Niet goedkoop weliswaar, mede door het veldwerk, maar wel erg goed.[8]
  2. eerlijk en vriendelijk
    • Hij was altijd goed voor ons.
  3. gezond, lekker
    • Ik voel me niet zo goed sinds ik dat rauwe vlees heb gegeten.
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen

+

Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

erg aardig gevonden worden

door de ontvanger goed ontvangen worden

zoveel verdiend hebben dat iemand niet meer hoeft te werken

welgesteld

altijd ziek zijn, nooit gezond

goed kunnen opschieten

bruikbaar advies geven

iemand is ergens geschikt voor

van aanzienlijke afkomst

het kan mij niets schelen

in orde / herstellende zijn (hij maakt het goed)

Spreekwoorden

slachtoffer worden van je eigen goedheid / als iemand te goed is maken mensen gauw misbruik van iemand; geholpen hebben maar daar geen bedankje maar aanmerkingen op krijgen

je hebt meer aan iemand in de buurt

veel goede voornemens hebben zonder ze daadwerkelijk uit te voeren

beter een goede start te maken dan later puin te moeten ruimen ofwel: met een goede voorbereiding kan het werk goed en snel gedaan worden

je treft niet snel meer mensen met een goed karakter

als je luistert, dan snap je het meteen / iemand die goed luistert heeft niet veel uitleg nodig

een buurman die je helpt heb je meer aan dan aan iemand die je nooit ziet

de tegenslagen zijn gauw vergeten als het goed afloopt

iemand die niet in staat is goed samen te werken

zolang er geen nieuws over iets of iemand binnenkomt, kan men er doorgaans van uitgaan dat het goed (dat wil zeggen: niet slecht) gaat

snel dingen afhandelen, kan bijna nooit goed eindigen

het is gemakkelijk van andermans eigendom/geld te tracteren

men kan van de moeilijkheden van een ander gebruik maken om er z'n eigen voordeel mee te doen

na het werk doet het goed te kunnen uitrusten

als iemand zich naar anderen goed gedraagt, behandelen anderen diegene ook goed

Vertalingen

Bijwoord

goed

  1. op goede wijze
    • Goed gedaan!
      Ik kon niet alles goed volgen, maar het monotone geluid van stemmen om mij heen voelde veilig en vertrouwd.[7]
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    • goedvinden: hij vond het goed.
      Want het was goed hier, om niet te zeggen perfect, en ik zag geen reden waarom ik hier niet net zo lang zou kunnen blijven tot ik wist waar ik naartoe moest gaan.[9]
  3. in hoge mate (vaak pejoratief)
    • Het is goed mis in Nederland.
    • Mijn dag is goed verpest.
  4. makkelijk, duidelijk
    De ambities van China zijn torenhoog. Dat is goed te merken tijdens een van de grootste autobeurzen in het land. Automerken proberen daar met de nieuwste gadgets consumenten te overtuigen voor hun auto te kiezen. Tom van Dillen van Greenkern, consultant in de auto-industrie, is op de autobeurs in Shanghai. Hij merkt vooral topdrukte wanneer de Chinese automerken nieuwe auto's presenteren.[10]
Synoniemen
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden

rijk zijn

zich op een gunstige manier kunnen vertonen

welbespraakt

evenzeer

gek zijn (van een persoon)

bijna

Ik ben zo goed als klaar met mijn scriptie.

Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord goed goederen
verkleinwoord goedje goedjes

Zelfstandig naamwoord

het goed o

  1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
    • Gezondheid is een groot goed.
  2. (juridisch) alle zaken en alle vermogensrechten (volgens de definitie van 3:1 BW)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

alles overhebben voor

alles wat je hebt (verliezen)

Spreekwoorden

gestolen zaken brengen nooit voordeel

Vertalingen

1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[11]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. 1 2 goed op website: Etymologiebank.nl
  3. "goed" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  6. Oudnederlands Woordenboek
  7. 1 2
    Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  8. Bronlink geraadpleegd op 6 mei 2025 Weblink bron
    Sven Schaap
    “Werkveld luidt noodklok op actiedag tegen verdwijnen aardwetenschappen VU” (6 mei 2025), NOS
  9. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 18
  10. Bronlink geraadpleegd op 24 april 2025 Weblink bron
    Aïda Brands
    “Chinese elektrische auto's booming in Europa ondanks heffingen” (24 april 2025), NOS
  11. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

goed

  1. goed; kwaliteit bezittend

Fries

Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

goed

  1. goed; kwaliteit bezittend

Verwijzingen

Nedersaksisch

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen goed bèter
verbogen goeie

Bijvoeglijk naamwoord

goed

  1. goed; kwaliteit bezittend

Veluws

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen goed bèter
verbogen goeie

Bijvoeglijk naamwoord

goed

  1. goed; kwaliteit bezittend

Zeeuws

Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

goed

  1. goed; kwaliteit bezittend