Causatief (original) (raw)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Naamvallen
Abessief Ablatief (zesde naamval) Absolute naamval Absolutief Accusatief (vierde naamval) Adessief Adverbialis Algemene Latijnse vervoegingen en verbuigingen Allatief Apudessief Associatief Aversief Benefactief Causalis-finalis Causatief Comitatief Datief (derde naamval) Delatief Dieptecasus Distributief Elatief Ergatief Essief Exessief Factitief Genitief (tweede naamval) Illatief Inessief Instructief Instrumentalis (achtste naamval) Intratief Locatief (zevende naamval) Multiplicatief Nominatief (eerste naamval) Objectief Obliquus (Hindi) Obliquus Partitief Pegatief Pertingent Prepositionalis Prolatief Sociatief Sublatief Superessief Temporalis Terminatief Translatief Vocatief (vijfde naamval)

De term causatief kan verschillende betekenissen hebben.

Een overgankelijk werkwoord heet het causatief (van het Latijnse causa = oorzaak) van een onovergankelijk werkwoord als het het laten geschieden van de handeling van dat werkwoord door het lijdend voorwerp uitdrukt. In het Nederlands wordt de functie van het causatief meestal vervuld door een constructie waarin het werkwoord laten als hulpwerkwoord in combinatie met een onbepaalde wijs voorkomt, waarbij laten dan moet worden opgevat in de actieve betekenis van ervoor zorgen dat het object de handeling verricht die door de onbepaalde wijs wordt uitgedrukt.

Voor de bovenstaande betekenis wordt in het Hongaars de factitief gebruikt met de suffix -at/-et,-tat/-tet achter de stam van het werkwoord. Dit kan bij vrijwel alle werkwoorden worden toegepast. Hier wordt niet de term causatief gebruikt.

Voorbeelden: Csinál = Maken → Csináltat = Laten maken; Eszik = Eten → Etet = Voeren

De causalis-finalis (ook wel: causatief of finalis) is een naamval die een reden, oorzaak of doel voor iets beschrijft. In het Hongaars wordt daartoe de suffix -ért gebruikt. De uitgang kan zelfstandig gebruikt worden in combinatie met bezitsuitgangen.

Voorbeelden: Miért? = Waarom?, Azért = Daarom (om dat), Érted = Om jou, Érted jövök = Ik kom je ophalen (ik kom om/wegens jou).

Het Nederlands kent slechts een beperkt aantal causatieven. De duidelijkste voorbeelden zijn:

Een causatief is dus door middel van een ablaut (=klinkerwisseling) afgeleid van een onovergankelijk grondwoord. Merk op dat er in gevallen zoals het woordenpaar temmen, tam weliswaar sprake is van een klinkerwisseling, maar niet van een causatief, want temmen drukt niet het laten plaatsvinden van een handeling uit (bovendien is tam geen werkwoord).

Er is nog een aantal paren werkwoorden waarbij het ene het causatief is van het andere, maar die minder makkelijk te herkennen zijn; ofwel doordat de betekenis van een van de werkwoorden is veranderd, ofwel doordat een van de werkwoorden in onbruik is geraakt. We geven hier vijf voorbeelden.