aandeel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aandeel aandelen
verkleinwoord aandeeltje aandeeltjes

Zelfstandig naamwoord

het aandeel o

  1. (economie) waardepapier dat de mede-eigendom in het vermogen van een onderneming bewijst
    • Mijn vader heeft een aandeel in dat bedrijf en hoopt een goed dividend te krijgen.
      ‘Heb je er soms aandelen in? ’ vroeg Jeroen op een veel scherpere toon dan de bedoeling was.[3]
      In 2009 steunt hij de club opnieuw met een lening, op voorwaarde dat hij de overige aandelen ook in handen krijgt als de club niet aan zijn betalingsplicht voldoet. Dat blijkt in 2010 aan de orde, waardoor Schouten voor 99 procent eigenaar wordt van Vitesse.[4]
  2. (economie) persoonlijk aandeel in gemeenschappelijke handelingen of in gemeenschappelijk bezit
  3. gedeelte van iets
    • Dit bedrijf heeft een groot aandeel van de markt in handen en kan dus ook de prijs van haar goederen naar eigen goeddunken opvoeren.
      Hoewel er minder van wordt ingeleverd, heeft kleding een aandeel van 27 procent in de omzet van de kringloopwinkels. Dat is iets minder dan het jaar daarvoor.[5]
  4. bijdrage [1]
    Zijn aandeel aan de conversatie die zij op wilde zetten, was beperkt gebleven tot ‘ja’, ‘nee’ en ‘zou kunnen’.[3]
    Ze vond het prettig om deel te nemen aan kerkelijke aangelegenheden, waarbij ze een belangrijk aandeel had in de organisatie van bazaars en dergelijke.[6]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vaste voorzetsels
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord aandeel aandele

Zelfstandig naamwoord

aandeel

  1. (economie) aandeel