bedrog - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bedrog -
verkleinwoord bedrogje bedrogjes

Zelfstandig naamwoord

het bedrog o

  1. het met kwade opzet misleiden van iemand
    • Deze veelgeroemde wetenschappelijke publicatie berust op bedrog.
      Het idee om na het tellen terug te keren naar zijn schrijfmachine was weliswaar rationeel, maar ook immoreel. Geen groot bedrog, maar toch bedrog.[3]
      En haar besluit om Olive te helpen met haar bedrog - de schilderijen naar Malaga brengen, ervoor zorgen dat Sarah bleef denken dat ze van Isaacs hand waren, de zolder schoonhouden - had geleid tot deze niet zo nobele waarheid: dat ze geschilderd wilde worden.[4]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

1. het met kwade opzet misleiden van iemand

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "bedrog" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. bedrog op website: Etymologiebank.nl

  3. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “1968, De grote eeuw deel 7” (2017), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044633535

  4. Jessie Burton (vert. Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be