begeren - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
begeren begerend
begeerte begeerd
- begeerlijk
- begerenswaardig
Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
begeren begeerde begeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

begeren

  1. overgankelijk sterk verlangen om iets te bezitten
    • Je krijgt niet altijd alles wat je hartje begeert.
      Zoonlief heeft de status van een halfgod en krijgt alles wat zijn hartje begeert.[3]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. sterk verlangen om iets te bezitten

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen