bezoek - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
naamwoord bezoek bezoeken
verkleinwoord bezoekje bezoekjes

Zelfstandig naamwoord

het bezoek o

  1. het bezoeken, de visite
    • Zij gingen even een bezoek afleggen.
    • Het bezoek aan het museum was zeer de moeite waard.
      Dat dit een eenmalig bezoek betrof, stond bij haar vast.[1]
      'Heb je sinds ons bezoek aan de schouwburg nog een ander stuk gezien, Thea?' vraagt Jacob.[2]
  2. de personen die op visite zijn of komen, de verzamelde bezoekers
    • Ik kreeg zeer veel bezoek op mijn verjaardag.
    • De museumdirecteur was heel blij met het vele bezoek dat de tentoonstelling mocht ontvangen.
Hyponiemen
ad-liminabezoek afscheidsbezoek armbezoek artsenbezoek atelierbezoek avondbezoek bedrijfsbezoek beleefdheidsbezoek beursbezoek bibliotheekbezoek bioscoopbezoek bliksembezoek blitzbezoek bordeelbezoek buurtbezoek cafébezoek concertbezoek condoleancebezoek congresbezoek contrabezoek controlebezoek cultuurbezoek discobezoek dokterbezoek doktersbezoek familiebezoek feestbezoek filmbezoek gelegenheidsbezoek groepsbezoek handelsbezoek huis-aan-huisbezoek huisartsbezoek huisbezoek inspectiebezoek kappersbezoek kennismakingsbezoek kerkbezoek klantbezoek klantenbezoek klassenbezoek kraambezoek kroegbezoek moskeebezoek museumbezoek oriëntatiebezoek partybezoek pausbezoek plaatsbezoek privébezoek prostitueebezoek raambezoek restaurantbezoek rouwbezoek saunabezoek scholenbezoek schoolbezoek schouwburgbezoek staatsbezoek staatsiebezoek stadionbezoek stadsbezoek stagebezoek strandbezoek struikbezoek studiebezoek tandartsbezoek tegenbezoek theaterbezoek theebezoek thuisbezoek toiletbezoek toiletgang veldbezoek verrassingsbezoek vervolgbezoek wc-bezoek welzijnsbezoek werkbezoek ziekenbezoek ziekenhuisbezoek ziektebezoek
Afgeleide begrippen
bezoekadres bezoekcijfer bezoekdag bezoekdatum bezoekduur bezoekfrequentie bezoekmoeder bezoekrapport bezoekrecht bezoekregeling bezoeksdatum bezoektijd bezoekuur bezoekverslag
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bezoeken

bezoek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezoeken
    • Ik bezoek.
  2. gebiedende wijs van bezoeken
    • Bezoek!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezoeken
    • Bezoek je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen