dam - WikiWoordenboek (original) (raw)

Universeel taalgebruik

Woordherkomst en -opbouw

Symbool

dam

  1. (natuurkunde), (wiskunde), (eenheid) het symbool voor decameter, een lengte van 10 meter of 0,01 kilometer
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
eenheden van lengte
ymzmamfmpmnmμmmmcmdmmdamhmkmMmGmTmPmEmZmYm pckpcMpcGpc

Nederlands

[A] De Afsluitdijk is een typische dam.

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord dam dammen
verkleinwoord dammetje dammetjes

[A] de dam m

  1. (waterbeheer) relatief smalle, massieve bodemophoging in een waterweg om wegverkeer tussen de oevers mogelijk te maken en/of ter bescherming tegen overstromingen
    • Bij een dijk is aan de ene zijde land en aan de andere zijde water bij een dam is aan beide zijden water.
    • In het Deltaplan is de functie van een dam primair de kustverdediging.
      Tijdens het vuurgevecht plonsden ze verder, tot ze bij een dam in de sloot uitkwamen.[6]
  2. (waterbeheer) vaste waterkering, aangelegd voor de waterbeheersing en doorgaans voorzien van regelbare doorlaatopeningen of sluizen
  3. (figuurlijk) een beschermende, afsluitende, emotionele hindernis
    Ikm' Woorden tuimelen over elkaar heen, Otto bouwt een dam tegen de springvloed van verdriet voordat die over zijn oudste vriendin wordt uitgestort.[7]
    Olive was er echter van overtuigd dat het vanzelf wel zou gebeuren; het was bijna alsof ze de kracht van Teresa's vernedering in de lucht kon proeven, alsof er achter de deur van de logeerkamer een dam op het punt van doorbreken stond.[8]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

als de eerste stap is gezet is het voor een ander niet moeilijk meer om die ook te maken en volgt de rest vanzelf

er ontstaan problemen nu de belemmering is opgeheven

Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
dammen

[A] dam

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dammen
    • Ik dam.
  2. gebiedende wijs van dammen
    • Dam!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dammen
    • Dam je?
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord dam dammen
verkleinwoord dammetje dammetjes

Zelfstandig naamwoord

[B] de dam v / m

  1. (spel) (bij het damspel) twee gestapelde schijven
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. (bij het damspel) twee gestapelde schijven

Werkwoord

vervoeging van
dammen

[B] dam

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dammen
    • Ik dam.
  2. gebiedende wijs van dammen
    • Dam!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dammen
    • Dam je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[9]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. dam op website: Etymologiebank.nl
  3. "dam" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. dam op website: Etymologiebank.nl

  6. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375

  7. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526

  8. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  9. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
dam dams

Zelfstandig naamwoord

dam

  1. (waterbeheer) dam (een scheiding tussen twee wateren: zee, stuwmeer, rivier etc.)

Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

dam

  1. (waterbeheer) dam

Urkers

Zelfstandig naamwoord

dam

  1. (waterbeheer) dam