deinen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
deinen deinde gedeind
zwak -d volledig
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
deining
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

deinen

  1. inergatief golven, rustig op en neer gaan.
    • De golven waren met het lenteweer aan het deinen.
    • Het schip deinde rustig op de golven heen en weer.
Verwante begrippen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. "deinen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be