donker - WikiWoordenboek (original ) (raw )
donker m / o
toestand dat er geen licht is, duisternis
zeer sombere situatie ▸ Ik wil het donker niet meer in, mijn lief. [6]
1. toestand dat er geen licht is
donker
zonder licht
Door de stroomuitval zitten we nu al anderhalve dag in een donker huis.
weinig licht terugkaatsend, niet licht van kleur ▸ Hij ging op het geluid af en zag, op een bergweitje tussen de rotsen, een kleine donkere jongen zijn geiten hoeden. [7]
somber
donker
eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donkeren
gebiedende wijs van donkeren
(bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donkeren
99 %
van de Nederlanders;
99 %
van de Vlamingen.[8]
↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
↑ Oudnederlands Woordenboek
↑ "donker" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen , 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org ; ISBN 90 204 2045 3
↑ donker op website: Etymologiebank.nl
↑ Ronald Giphart e.a. “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
↑ “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat , p. 11
↑ Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be