donker - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord donker (donkers)
verkleinwoord donkertje donkertjes

Zelfstandig naamwoord

donker m / o

  1. toestand dat er geen licht is, duisternis
  2. zeer sombere situatie
    Ik wil het donker niet meer in, mijn lief.[6]
Verwante begrippen
Vertalingen

1. toestand dat er geen licht is

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen donker donkerder donkerst
verbogen donkere donkerdere donkerste
partitief donkers donkerders -

Bijvoeglijk naamwoord

donker

  1. zonder licht
    • Door de stroomuitval zitten we nu al anderhalve dag in een donker huis.
  2. weinig licht terugkaatsend, niet licht van kleur
    Hij ging op het geluid af en zag, op een bergweitje tussen de rotsen, een kleine donkere jongen zijn geiten hoeden.[7]
  3. somber
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
donkeren

donker

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donkeren
    • Ik donker.
  2. gebiedende wijs van donkeren
    • Donker!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donkeren
    • Donker je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Oudnederlands Woordenboek
  4. "donker" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  5. donker op website: Etymologiebank.nl

  6. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  7. “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 11
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be