gist - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Saccharomyces cerevisiae op Wikispecies

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gist gisten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de gist m [2]

  1. (mycologie) benaming voor een aantal soorten eencellige schimmels
    • Gisten onderscheiden zich van bacteriën door het bezit van een celkern en door hun grootte.
  2. (kookkunst) eencellige schimmels gebruikt om gerechten te laten rijzen of fermenteren
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen

Werkwoord

vervoeging van
gissen

gist

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gissen
    • Jij gist.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gissen
    • Hij gist.
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van gissen
    • Gist!

Werkwoord

vervoeging van
gisten

gist

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van gisten
  2. gebiedende wijs van gisten

Bijvoeglijk naamwoord

gist

  1. onverbogen vorm van de overtreffende trap van gis

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "gist" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be