groot - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen groot groter grootst
verbogen grote grotere grootste
partitief groots groters -

Bijvoeglijk naamwoord

groot

  1. meer dan normaal in formaat
    Ik had een grote powerbank die mijn telefoon 12 keer kon opladen, dus besloot ik het vanaf toen alleen met digitale hulpmiddelen te doen.[2]
    Het werd me al snel duidelijk dat ik de trail volledig had onderschat. De bergpaden waren steiler, de zon heter, de slangen groter en de afstanden tussen waterpunten langer dan ik me had voorgesteld.[2]
  2. bewonderenswaardig, goed
    • Hij was een groot man.
  3. machtig, belangrijk
    Mijn vrouw houdt niet van vliegen waardoor zij dertig jaar geleden de bewuste keuze heeft gemaakt dat nooit meer te doen. Ze was dan ook allang blij dat ze niet met mij mee hoefde op mijn verre reizen, maar was wel vanaf het begin mijn grootste supporter.[2]
  4. volwassen
    • Grote mensen en kinderen.
      Ook boer Henk Koster kwam afscheid nemen. "Ik heb de hele ontwikkeling meegemaakt, vanaf het begin. Lenie 't Hart kwam vroeger bij ons spullen lenen om zeehondenpups groot te krijgen. Wat hier is opgebouwd, is een succes voor Pieterburen én voor de zeehonden. Voor de levendigheid in het dorp was het beter geweest als het hier was gebleven", zei hij.[3]
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen

1. woorden met "groot" als laatste deel met (ook) een andere betekenis dan "heel groot"

Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

veel geld uitgeven

iets grootschalig bekend maken

kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben

je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn

tegen hoge heren leg je het meestal af

veel geld uitgeven

aandacht proberen te krijgen voor iets

waardeer de kleine dingen in het leven

te veel geld uitgeven

Vertalingen

1. meer dan normaal in formaat

2. bewonderenswaardig, goed

Bijwoord

groot

  1. in ruime mate
    De fles was gelukkig groot genoeg en uiteindelijk kon ik met een zucht van verlichting de dop erop draaien.[2]
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord groot groten
verkleinwoord grootje grootjes

Zelfstandig naamwoord

de groot m

  1. (numismatiek) een van oorsprong Italiaanse munt die tot 1496 ook in Vlaanderen gebruikt werd

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "groot" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. 1 2 3 4
    Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 20 april 2025 Weblink bron “Pieterburen is echt (bijna) leeg na vrijlating Ollie en Brandy” (20 april 2025), NOS
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be