haan - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Een haan van Gallus gallus domesticus

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord haan hanen
verkleinwoord haantje haantjes

Zelfstandig naamwoord

de haan m

  1. (dierkunde) mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels; vaak wordt het mannetje van het huishoen (Gallus gallus op Wikispecies) bedoeld
    • De haan kraaide ons vroeg wakker.
  2. (militair), (techniek) het onderdeel van een vuurwapen dat een slaande beweging maakt als de trekker wordt overgehaald
    • De haan van het pistool.
Verwante begrippen

+

Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Ergens als eerste bij zijn

Iets gebeurt geheel ongemerkt, of het kan niemand iets schelen

Op een onverantwoordelijke manier veel geld uitgeven, bijv. aan eten en drinken

Als twee bedriegers samenwerken, zijn ze vaak toch alleen op eigen voordeel uit

Hij speelt steeds de baas

Een erg rood gezicht hebben, meestal door een emotie zoals woede of schaamte

Vertalingen

1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels

2. trekker bij een vuurwapen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. haan op website: Etymologiebank.nl
  3. "haan" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Anglo-Normandisch

Zelfstandig naamwoord

haan

  1. ontbering, lijden
  2. leed, ellende
Schrijfwijzen