lui - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lui luier luist
verbogen luie luiere luiste
partitief luis luiers -

Bijvoeglijk naamwoord

[A] lui

  1. niet houdend van inspanning of werk
    • Ik ben vandaag erg lui geweest.
  2. (meubel) (gebruik als hypallage) geschikt om op zijn gemak in te zijn
    • Hij zat in zijn luie stoel.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk

enkelvoud meervoud
naamwoord - lui
verkleinwoord - luitjes

Zelfstandig naamwoord

[B] de lui mv

  1. (informeel), vaak (pejoratief) groep mensen
    • Wat een rare lui!
      ‘Naar Casa de Luna,’ antwoordde ik hoopvol. ‘Oh, die lui. Dat zou ik niet doen, dat zijn gevaarlijke aso’s.[6]
Synoniemen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden

ze weten niet wat beter voor zich kunnen houden en zeggen alles

Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
luien

[C] lui

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luien
    • Ik lui.
  2. gebiedende wijs van luien
    • Lui!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luien
    • Lui je?
Anagrammen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[7]

Verwijzingen

  1. "lui" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Oudnederlands Woordenboek
  5. lieden op website: Etymologiebank.nl

  6. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid deelwoord
lui gelui
volledig

Werkwoord

lui

  1. luiden
    «"Luidens die berig.... " wil dan sê dat dit is hoe die berig gelui het, d.w.s. wat in die berig beweer is.»
    "Luidens het bericht...." wil dan zeggen dat dit is hoe het bericht geluid heeft, d.w.z. wat er in het bericht beweerd is.
Afgeleide begrippen

Frans

Uitspraak
nominatief genitief datief accusatief locatief benadrukt
il son / sa / ses lui le y lui
nominatief genitief datief accusatief locatief benadrukt
elle son / sa / ses lui la y elle

Persoonlijk voornaamwoord

lui

  1. hem, haar
Verwante begrippen

Friulisch

persoon enkelvoud meervoud
eerste jo , noaltris
tweede tu , voaltris
derde lui lôr

Persoonlijk voornaamwoord

lui

  1. hij

Italiaans

Uitspraak
Woordafbreking

Persoonlijk voornaamwoord

lui

  1. hij

Spaans

Werkwoord

vervoeging van
luir

lui

  1. eerste persoon enkelvoud verleden tijd (pretérito indefinido) van luir