lul - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

2. scheldwoord voor een man

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lul lullen
verkleinwoord lulletje lulletjes

Zelfstandig naamwoord

[A] de lul m

  1. (vulgair), (anatomie) geslachtsdeel van de man
    • Hij kreeg een stijve lul.
  2. (vulgair) (scheldwoord) scheldwoord voor een man
    • Wat een stomme lul ben jij.
  3. (vulgair) jongen of man die pech heeft, sukkel, sul, sulletje
    • Ik moet de trein halen, anders ben ik de lul.
  4. (vulgair) denigrerende benaming in het algemeen voor iemand van het mannelijk geslacht
    • Daar is die ouwe lul ook alweer.
  5. (verouderd) pijpkan voor kinderen
  6. (techniek) aan een pomp bevestigde pijp waar water doorheen kan stromen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

1. geslachtsdeel van de man

2. scheldwoord voor een man

Zelfstandig naamwoord

[A] de lul v

  1. Arch. (1811) [8]: houten pijp aan een pomp waaruit het water loopt, spuitstuk van een brandweerslang
    • De lul zit los.
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
lullen

[A] lul

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lullen
    • Ik lul.
  2. gebiedende wijs van lullen
    • Lul!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lullen
    • Lul je?
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord lul lullen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

[B] de lul v

  1. Arch. (1811) [8]: klein driehoekig zeil dat voor op kleine schepen gezet wordt
    • Ik koos de lul voor 't zeil - Huygens.
Synoniemen
Anagrammen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[9]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. lul (mannelijk lid) op website: Etymologiebank.nl
  5. "lul" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  6. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  7. lul (stagzeil) op website: Etymologiebank.nl
  8. 1 2 Nederduitsch taalkundig woordenboek. P. Weiland 1807-1811
  9. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be