niveau - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ni·veau
Woordherkomst en -opbouw
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘peil’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
- van het Frans niveau [2][3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | niveau | niveaus |
| verkleinwoord | niveautje | niveautjes |
Zelfstandig naamwoord
het niveau o
- rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, plaats in een rangschikking van hoog naar laag; rangschikking van groot naar klein
▸ Hoog niveau: Voorzitter Bob Hoogendoorn van het Koninklijk Nederlands Geologisch-Mijnbouwkundig Genootschap (KNGMG) valt hem bij. "Er is echt geen werkloze afgestudeerde op dit moment. Er is enorm veel vraag naar." Bovendien is de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek aan de VU van wereldniveau, benadrukt hij. Niet goedkoop weliswaar, mede door het veldwerk, maar wel erg goed.[4]
▸ 'Duurzame mijlpaal': De rechter oordeelt dat de gemeente bevoegd is om zo'n verbod op te leggen en vindt de argumenten van Den Haag voldoende onderbouwd. Dat de bijdrage van het verbod op landelijk en wereldwijd niveau "gering is", doet daar niet aan af, aldus de rechter.[5] - afstand van een horizontaal vlak ten opzichte van een referentievlak of lijn tot een referentiepunt
▸ Ze willen onder meer dat er een eind komt aan de groei van Schiphol, waar het vliegverkeer na de coronadip al weer flink aantrekt. De verwachting is dat het rond 2024 weer op het oude niveau is.[6]
Schrijfwijzen
- De fonetische schrijfwijze "nivo" is nooit officiële spelling geweest.[7]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1] geen niveau
(pejoratief) slecht ontwikkeld, onbeschaafd - [1] Ze staan op hetzelfde niveau
Ze zijn directe collega's
Vertalingen
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
Gangbaarheid
- Het woord niveau staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "niveau" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[8] |
Verwijzingen
- ↑ "niveau" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ niveau op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Weblink bron
Sven Schaap
“Werkveld luidt noodklok op actiedag tegen verdwijnen aardwetenschappen VU” (6 mei 2025), NOS - ↑
Weblink bron “Den Haag krijgt gelijk van de rechter: verbod op fossiele reclames mag” (25 april 2025), NOS - ↑
Weblink bron
Judith van de Hulsbeek
“Omwonenden: Schiphol kan 100 bestemmingen missen” (14 mei 2022), NOS - ↑
Weblink bron “Buro / bureau, nivo / niveau, kado / cadeau” op taaladvies.net - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Frans
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| niveau | le niveau | niveaux | les niveaus |
Zelfstandig naamwoord
niveau m