oom - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oom ooms
verkleinwoord oompje oompjes

Zelfstandig naamwoord

de oom m

  1. (familie) broer of zwager van iemands vader of moeder
    Dat was eene sware dinc. Sconincs wijf was een jodinne. Doet Mardocheus wiste, hare oom, Was hi drouve in sinen sinn[4]
    Ik had het hoofdstuk over het huwelijk uit De profeet al vaker gehoord tijdens bruiloften, voorgelezen door een trotse oom of vader.[5]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

1. broer of zwager van iemands vader of moeder

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. oom op website: Etymologiebank.nl
  3. "oom" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Bronlink Weblink bron Alexanders geesten (1200) in:
    ed. Johannes Franck
    Alexanders geesten (1882), J.B. Wolters, Groningen, p. 133.

  5. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord oom ooms

Zelfstandig naamwoord

oom

  1. oom

Wolof

Zelfstandig naamwoord

oom

  1. knie

Yucateeks

Zelfstandig naamwoord

oom

  1. avocado