opper - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opper oppers
verkleinwoord oppertje oppertjes

Zelfstandig naamwoord

de opper m

  1. hoop gemaaid en gedroogd gras [2] [3]
  2. opperwachtmeester [4]
  3. beschutting tegen de kracht van wind en zee [5] [6]
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

1. hoop gemaaid en gedroogd gras

Werkwoord

vervoeging van
opperen

opper

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opperen
    • Ik opper.
  2. gebiedende wijs van opperen
    • Opper!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opperen
    • Opper je?

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[7]

Verwijzingen

  1. 1 2 "opper" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. opper op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. opper op website: Etymologiebank.nl
  5. opper op website: Etymologiebank.nl
  6. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be