palm - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

palm (1)

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord palm palmen
verkleinwoord palmpje palmpjes

Zelfstandig naamwoord

de palm m

  1. (bloemplanten) benaming voor hoofdzakelijk tropische bomen uit de familie Arecaceae op Wikispecies
  2. (anatomie) binnenzijde van de hand
  3. lengtemaat, oorspronkelijk de breedte van een hand; vastgesteld op 1 decimeter
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

De winnaar zijn

Stoett-1767 [3]

Stoett-1768 [4]

Vertalingen

2. binnenzijde van de hand

Werkwoord

vervoeging van
palmen

palm

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van palmen
    • Ik palm.
  2. gebiedende wijs van palmen
    • Palm!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van palmen
    • Palm je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "palm" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. palm op website: Etymologiebank.nl
  3. www.dbnl.org
  4. www.dbnl.org
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
palm palms

Zelfstandig naamwoord

palm

  1. (anatomie) palm