pik - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
[1,2] enkelvoud meervoud
naamwoord pik pikken
verkleinwoord pikje pikjes
[3,4] enkelvoud meervoud
naamwoord pik
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

de pik m

  1. (informeel) geslachtsdeel van de man, penis
  2. zeis, houweel
  3. m/o; pek, teer
  4. wrok, haat, in de uitdrukking
    • De pik op iemand hebben.
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Spreekwoorden

Een wrok jegens iemand koesteren

Een hekel aan iets hebben

Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
pikken

pik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pikken
    • Ik pik.
  2. gebiedende wijs van pikken
    • Pik!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pikken
    • Pik je?
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 3 "pik" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 2020/11/03 Weblink bron “PICK, SO” op svenska.se
  3. pik op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

pik

  1. (pinguïns) pinguïn; benaming voor niet-vliegende zeevogels die alleen voorkomen op het zuidelijk halfrond
Synoniemen

Meer informatie

Duits

Uitspraak
Woordafbreking

Werkwoord

pik

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd gebiedende wijs bedrijvende vorm van piken
Schrijfwijzen
Anagrammen

Lets

Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

pik

  1. drup, het geluid van neervallende druppels

Middelengels

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

pik

  1. (militair) piek; lans, een wapen dat bestond uit een dunne stok met aan het uiteinde een metalen punt
  2. (gereedschap) houweel; een metalen werktuig voor hakken in steen of aarde met een beitelvormig uiteinde en een puntvormig uiteinde
  3. (straalvinnigen) snoek
Schrijfwijzen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening

Pools

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

[A] pik monbezield

  1. (kaartspel) schoppen; ♠, een kleursoort in het kaartspel
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B] pik monbezield

  1. (wiskunde) piek; een signaal dat zich uit als een maximum in een kromme
  2. piek, bergtop
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

pik

  1. genitief meervoud van pika

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

pik monbezield

  1. (kleding) piqué; weefsel van katoen of kunstvezel met een ingeweven patroon van verhogingen
  2. (kaartspel)(spreektaal) schoppen; ♠, een kleursoort in het kaartspel
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------- | | nominatief | pik | piky | | genitief | piku | piků | | datief | piku | pikům | | accusatief | pik | piky | | vocatief | piku | piky | | locatief | piku | picích | | instrumentalis | pikem | piky |

Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen
Paroniemen

Verwijzingen

Zelfstandig naamwoord

pik

  1. genitief meervoud van pika

Wymysoojs

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

pik v

  1. (militair)(historisch) speer