ros - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
[A] stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ros rosser rost
verbogen rosse rossere roste
partitief ros rossers -

Bijvoeglijk naamwoord

[A] ros

  1. roodachtig
    • Er is een rosse kleur in gebruikt.
  2. voorzien van rode lichten, met name in de hoerenbuurt
    • De rosse buurt van Amsterdam is wereldberoemd.
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord ros rossen
verkleinwoord rosje rosjes

Zelfstandig naamwoord

[B] het ros o

  1. (verouderd) rijpaard
    • Het ros had zijn been gebroken.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

[C] de ros m

  1. (informeel) slaag, pak slaag

Werkwoord

vervoeging van
rossen

[C] ros

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rossen
    • Ik ros.
  2. gebiedende wijs van rossen
    • Ros!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rossen
    • Ros je?

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. ros (kleur) op website: Etymologiebank.nl
  2. 1 2 "ros" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. ros (paard) op website: Etymologiebank.nl
  4. ros (slaag) op website: Etymologiebank.nl
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Papiaments

Bijvoeglijk naamwoord

ros

  1. roze