stapel - WikiWoordenboek (original) (raw)

[1] Een stapel boeken.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stapel stapels
verkleinwoord stapeltje stapeltjes

Zelfstandig naamwoord

de stapel m [4] [5]

  1. een gestructureerde hoop spullen [6]
    • Er ligt een stapel boeken op tafel.
      Op het nachtkastje de overvolle asbak, een stapel detectives en haar Vogue's, met ezelsoren.[7]
      Ik legde de lege cahiers die ik had meegenomen links op een stapel, met mijn vulpen ernaast.[8]
  2. (scheepvaart) de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
    • Het schip zal volgende maand van stapel lopen.
  3. (muziek) een houten stokje ingeklemd tussen het boven- en onderblad van de klankkast van een snaarinstrument
    • De plaatsing van de stapel van een viool is van essentieel belang voor de klank van het instrument.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. een gestructureerde hoop spullen

2. de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust

3. een houten stokje ingeklemd tussen het boven- en onderblad van de klankkast van een snaarinstrument

stellend
onverbogen stapel
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

stapel [9] [10]

  1. alleen predicatief gek, stapelgek
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stapelen

stapel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stapelen
    • Ik stapel.
  2. gebiedende wijs van stapelen
    • Stapel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stapelen
    • Stapel je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[11]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. stapel op website: Etymologiebank.nl
  3. "stapel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  6. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).

  7. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  8. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 18
  9. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  10. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  11. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be