traag - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen traag trager traagst
verbogen trage tragere traagste
partitief traags tragers -

Bijvoeglijk naamwoord

traag

  1. met geringe snelheid
    • Een trage beweging
      Piraterij en avontuur, terwijl Frans en Maren achterbleven tussen mahoniehouten meubels en verstikkende wandtapijten, traag stromende grachten en beierende klokken die hen naar de kerk riepen.[3]
      Wanneer we dichterbij komen, komt hij traag overeind en gaat opzij, waarbij hij met zijn achterlijf over de gladgesleten kinderkopjes schuift.[4]
      ‘Van Gooooo,’ klonk een tijdje later het trage zuidelijke Tennessee accent van Pogue, ‘Is er daar water?’ Ik knikte en wees naar beneden in de richting van de groene plas.[5]
  2. (figuurlijk) niet snel reagerend
    • Albert Maillard. Hij was een slanke jongen met een enigszins traag, bescheiden karakter. [6]
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "traag" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. traag op website: Etymologiebank.nl

  3. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526

  4. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340

  5. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia

  6. Lemaitre, Pierre
    Tot ziens daarboven 2014 ISBN 9789401601931 pagina 15
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

stellend attributief vergrotend overtreffend
traag trae traer traagste

Bijvoeglijk naamwoord

traag

  1. traag
    «Trae kredietgroei vra om laer rente.»
    Trage kredietgroei vraagt om een lagere rente.

Nedersaksisch

Bijvoeglijk naamwoord

traag

  1. traag; met geringe snelheid
Synoniemen
Antoniemen