trein - WikiWoordenboek (original) (raw)

Een trein.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trein treinen
verkleinwoord treintje treintjes

Zelfstandig naamwoord

de trein m [3]

  1. (spoorwegen) rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
    • Er reizen dagelijks veel mensen met de trein.
      Toen de trein uit Southampton Waterloo Station in was gereden, had Cynth de schoorstenen van huizen aangezien voor die van fabrieken, de belofte van werk in overvloed.[4]
      Vanwege de werkzaamheden reden gisteren ook al minder treinen van en naar het hoofdstation. Vannacht om 00:50 uur vertrok de laatste trein.[5]
  2. (militair) alles wat dient tot het vervoer van zaken die nodig zijn voor een gevechtshandeling
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden

Het loopt erg goed.

Vertalingen

1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "trein" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. trein op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).

  4. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  5. Bronlink geraadpleegd op 10 mei 2025 Weblink bron “Station Groningen ruim twee maanden dicht vanwege verbouwing” (10 mei 2025), NOS
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

trein

  1. (verkeer) trein

Papiaments

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud ofimpliciet meervoud expliciet meervoud
trein treinnan

Zelfstandig naamwoord

trein

  1. (verkeer) trein