vuur - WikiWoordenboek (original) (raw)

vuur

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vuur vuren
verkleinwoord vuurtje vuurtjes

Zelfstandig naamwoord

het vuur o

  1. (scheikunde) het geheel van de licht- en warmteverschijnselen die zich voordoen wanneer iets verbrandt, d.w.z. een oxidatiereactie ondergaat
    • De brandweer doofde het vuur met water en andere blusmiddelen.
      En ineens stonden ze voor een hol en zagen achterin de gloed van een vuur. Er was een lelijk oud wijf dat, zachtjes mompelend, in een pot boven het vuur stond te roeren.[3]
      Er cirkelden een heleboel vliegen om de paarden heen dus ik zette mijn tent vijftig meter van het vuur op.[4]
  2. (figuurlijk), (militair) beschieting met vuurwapens
    • Halverwege de oorlog deserteerden er iedere maand meer dan vijfduizend soldaten; sommige bleven gewoon ergens hangen tijdens de oneindig lange marsroutes, andere vluchtten zodra het vuur werd geopend. In mei 1864 — de maand waarin generaal Grant zijn opmars naar het zuiden begon en de maand van de Wildernis — waren er niet minder dan 5371 federale soldaten die het hazenpad kozen. Meer dan 170 verlieten iedere dag het strijdtoneel — zowel dienstplichtigen als vrijwilligers, ontmoedigd of vol heimwee, gedeprimeerd, verveeld, gedesillusioneerd, onbetaald of gewoonweg bang.[5]
    • Zo kwam de stad onder vuur te liggen.
  3. (figuurlijk) enthousiasme, bezieldheid, hartstocht, passie
    • Hij verdedigde zijn ideeën vol vuur.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

grote leesplank, met klikbare woorden

Uitdrukkingen en gezegden

iemand anders het gevaarlijke werk laten doen

ergens nauw bij betrokken zijn, of iets van zeer nabij volgen (en er daardoor meestal veel van weten)

een plan hebben dat nog onbekend is voor de buitenwereld

heel erg zeker weten dat iets zo is, iets overtuigend garanderen

iedere gebeurtenis valt te herleiden tot een oorzaak; de meeste geruchten berusten op iets waars, ook als ze verder niet helemaal betrouwbaar zijn

een confict onnodig extra of weer nieuw leven inblazen

streng ondervragen

hevig branden ofwel: gauw kwaad zijn of erg driftig zijn

met gevaarlijke dingen laks omgaan, gevaarlijke dingen doen

iets doen waardoor een ruzie opnieuw begint of oplaait en/of verergert

moeten kiezen tussen twee onaangename mogelijkheden ofwel: zich bevinden tussen twee ruziemakers

eerder al moeilijkere problemen opgelost hebben, waardoor datgene waar het nu om gaat relatief weinig voorstelt

elkaar altijd helpen

elkaar niet kunnen verdragen

als je ergens vlak bij bent, heb je daar vaak meer voordeel van dan wanneer dat niet het geval is

heel erg zijn best doen, heel hard werken

de vlam van de olympische spelen

heel erg verliefd zijn

dat iets of iemand kritiek op iemand anders heeft

iemand levert veel kritiek op iemand

iemand levert veel kritiek op je

je levert zelf veel kritiek op iemand

veel kritiek ontvangen

De Britse premier Boris Johnson heeft donderdag aangekondigd op te stappen. Hij blijft voorlopig de taken van premier uitvoeren, totdat er een opvolger bekend is. Johnson lag al geruime tijd onder vuur vanwege een reeks schandalen, zoals het bijwonen van feestjes in coronalockdowns. Het vertrek van een aantal prominente ministers de afgelopen dagen blijkt de druppel te zijn geweest.[6]

waarom ben je zo haastig?

Vertalingen

1. lichtverschijnsel bij brand

als een lopend vuurtje

het olympisch vuur

in vuur en vlam staan

olie op het vuur gooien

onder vuur

onder vuur genomen worden

onder vuur komen te liggen

onder vuur nemen

vuur stoken

zwaar onder vuur liggen

Werkwoord

vervoeging van
vuren

vuur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuren
    • Ik vuur.
  2. gebiedende wijs van vuren
    • Vuur!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuren
    • Vuur je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "vuur" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. vuur op website: Etymologiebank.nl
  3. “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 12

  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia

  5. Winchester, Simon
    De gekwelde woordenaar vertaald door Peter Out 1998 ISBN 90-254-2146-6 pagina 69
  6. Bronlink geraadpleegd op 6 juli 2022 Weblink bron “Britse premier Johnson stapt op, maar blijft zitten tot opvolger bekend is” (onderdag 07 juli 2022), NU.nl
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

vuur o

  1. vuur
    «'d Vuur versprij zich zoefrasj dórche bósj.»
    Het vuur verspreidde zich razendsnel door het bos.
Verbuiging
enkelvoud meervoud
geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind
nominatief vuur - vuurke - vuur - vuurkes -
genitief vuurs - vuurkes - vuur - vuurkes -
locatief vures - vureske - vurese - vureskes -
datief vure - vuurke - vuur - vuurkes -
accusatief vuur - vuurke - vuur - vuurkes -