winkel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord winkel winkels
verkleinwoord winkeltje winkeltjes

Zelfstandig naamwoord

de winkel m

  1. (handel) een plaats waar koopwaar wordt verkocht
    • Hij opende in 1924 een winkel voor groente-, bloem- en landbouwzaden in Rotterdam en ging al snel over op het zelf ontwikkelen van nieuwe groenterassen.[3]
      'Ik was onderweg naar de winkel waar ik mijn zijde koop,' zegt ze.[4]
      ’s Middags dwaalde ik doelloos door de straten van de oude stad en kwam een winkel tegen waar allerlei verfspullen werden verkocht.[5]
Gelijkklinkende woorden
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
achterwinkel advieswinkel antiekwinkel antimaffiawinkel applicatiewinkel appwinkel architectenwinkel avondwinkel baanwinkel babywinkel bacovewinkel bakkerswinkel banenwinkel banketwinkel bankwinkel beddenwinkel bedrijfskundewinkel bedrijfswinkel belastingwinkel beleggingswinkel beleveniswinkel belevingswinkel belwinkel biologiewinkel bloemenwinkel boekenwinkel boekwinkel boerderijwinkel boerenwinkel boodschappenwinkel bouwwinkel brillenwinkel broodjeswinkel broodwinkel burenwinkel buurtwinkel cadeauwinkel campagnewinkel campingwinkel carnavalswinkel cd-winkel chemiewinkel chocoladewinkel computerwinkel confectiewinkel consumentenwinkel conveniencewinkel dagwinkel dampwinkel delicatessenwinkel depotwinkel derdewereldwinkel designwinkel dieetwinkel dierenwinkel doe-het-zelfwinkel dorpswinkel downloadwinkel drankwinkel dvd-winkel e-winkel elektriciteitswinkel elektronicawinkel erfgoedwinkel erotiekwinkel fabriekswinkel feestartikelenwinkel feestwinkel fietsenwinkel fietswinkel fotowinkel fourniturenwinkel fruitwinkel garen-en-bandwinkel gebedswinkel geboortewinkel gebruiktefietsenwinkel geldwinkel geluidswinkel gemakswinkel geschiedeniswinkel gevangeniswinkel gortwinkel groentewinkel grutterswinkel handwerkwinkel hartwinkel haute-couturewinkel hazewinkel heimweewinkel hengelsportwinkel hoedenwinkel hoorwinkel horlogewinkel ijswinkel ijzerwarenwinkel ijzerwinkel inbrengwinkel inloopwinkel internetwinkel juwelierswinkel kaaswinkel kampwinkel kapperswinkel kerstwinkel kinderboekwinkel kinderfeestwinkel kinderrechtswinkel kledijwinkel kledingwinkel klerenwinkel komenijswinkel kookwinkel kopieerwinkel krantenwinkel kringloopwinkel kringwinkel kruidenierswinkel landwinkel levensmiddelenwinkel lingeriewinkel loopbaanwinkel lutjewinkel mandjeswinkel manufacturenwinkel manufactuurwinkel megawinkel melkwinkel meubelwinkel modewinkel motorwinkel muiswinkel museumwinkel muziekwinkel nachtwinkel natuurvoedingswinkel natuurwinkel noodwinkel onderwijswinkel onlinewinkel opvoedingswinkel outdoorwinkel outletwinkel papierwinkel pettenwinkel pilotwinkel plaswinkel platenwinkel pompwinkel pop-upwinkel porseleinwinkel postwinkel pralinewinkel proefwinkel publiekswinkel rechtswinkel reformwinkel reiswinkel rommelwinkel roswinkel rouwwinkel ruilwinkel satellietwinkel schoenenwinkel schoenmakerswinkel schoenwinkel schuilwinkel sekswinkel servicewinkel sigarenwinkel sitsenwinkel skatewinkel slaapwinkel slagerswinkel snoepwinkel soepwinkel souvenirwinkel speciaalwinkel speelgoedwinkel speelwinkel sportwinkel staatswinkel stadswinkel sterrenbeurswinkel stoffenwinkel streetwearwinkel strijkwinkel stripwinkel taartjeswinkel tabakswinkel taxfreewinkel telecomwinkel telefoonwinkel testwinkel textielwinkel theewinkel thuiswinkel thuiszorgwinkel tijdschriftenwinkel toiletwinkel toonbankwinkel tweedehandswinkel uitvaartwinkel uitwinkel vakwinkel verfwinkel verkiezingswinkel verswinkel verzekeringswinkel videowinkel viswinkel vlaggenschipwinkel voedingswinkel volkswinkel vuurwapenwinkel wapenwinkel warwinkel waterwinkel webwinkel weggeefwinkel weidewinkel wereldwinkel werkwinkel wetenschapswinkel wetswinkel wietwinkel wijkwinkel wijnwinkel witgoedwinkel woonwinkel zaadwinkel zelfbedieningswinkel zorgwinkel
Afgeleide begrippen
Winkelhaak Winkelman bovenwinkelwonen winkel-wandelstraat winkelaanbod winkelapparaat winkelaquarium winkelbank winkelbediende winkelbedrijf winkelbel winkelbestand winkelboulevard winkelbuurt winkelcafé winkelcentrum winkelcoach winkelcomplex winkelconcept winkelconcern winkelcriminaliteit winkeldag winkeldetective winkeldeur winkeldichtheid winkeldief winkeldiefstal winkeldievegge winkeldochter winkeleigenaar winkelen winkelervaring winkeletalage winkelfiliaal winkelformule winkelfunctie winkelgalerij winkelgebied winkelgedeelte winkelgoed winkelhaak winkelhart winkelhouder winkelhuis winkelier winkelinrichting winkelinterieur winkeljuffrouw winkelkar winkelketen winkelklem winkelknecht winkella winkellade winkelleegstand winkellocatie winkelmanager winkelmand winkelmandje winkelmeisje winkelmerk winkelnering winkelomzet winkelontzegging winkelopening winkeloppervlak winkeloppervlakte winkelpand winkelparadijs winkelpassage winkelpersoneel winkelplein winkelprijs winkelpromenade winkelpubliek winkelpui winkelraam winkelrek winkelrover winkelruimte winkelruit winkelschap winkelsector winkelsluiting winkelstad winkelstand winkelstraat winkelsubsidie winkelsurveillant winkeltijden winkeltoerisme winkelvacature winkelverbod winkelverkoop winkelverslaafde winkelvestiging winkelvloer winkelvoorraad winkelwaar winkelwaarde winkelwagen winkelwijk winkelwoede winkelzaak winkelzondag woon-winkelcentrum
Uitdrukkingen en gezegden

Een niet erg hoogstaande winkel waar van alles door elkaar is uitgestald[6]

Er is nog veel werk te verzetten

Overerving en ontlening
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
winkelen

winkel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van winkelen
    • Ik winkel.
  2. gebiedende wijs van winkelen
    • Winkel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van winkelen
    • Winkel je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "winkel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. 1 2 winkel op website: Etymologiebank.nl
  3. 'Natuurlijke groei door kansen te benutten', rijkzwaan.nl

  4. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332

  5. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  6. allesbedrijf, taalbank.nl
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

winkel

  1. winkel

Verwijzingen

  1. winkel op website: Etymologiebank.nl

Middelnederlands

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

winkel m

  1. hoek
Overerving en ontlening

Verwijzingen

  1. winkel op website: Etymologiebank.nl

Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

winkel

  1. (handel) winkel; een plaats waar koopwaar wordt verkocht

Veluws

Zelfstandig naamwoord

winkel

  1. (handel) winkel; een plaats waar koopwaar wordt verkocht