winkel - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- win·kel
Woordherkomst en -opbouw
- In de betekenis van ‘verkoopplaats’ voor het eerst aangetroffen in 1101 [1]
- van Middelnederlands winkel "hoek", verg. ook Duits Winkel "hoek"; de betekenis is dus eigenlijk "hoek waar men waren uitstalt";[2]
met het achtervoegsel -el (2).[2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | winkel | winkels |
| verkleinwoord | winkeltje | winkeltjes |
Zelfstandig naamwoord
de winkel m
- (handel) een plaats waar koopwaar wordt verkocht
- Hij opende in 1924 een winkel voor groente-, bloem- en landbouwzaden in Rotterdam en ging al snel over op het zelf ontwikkelen van nieuwe groenterassen.[3]
▸ 'Ik was onderweg naar de winkel waar ik mijn zijde koop,' zegt ze.[4]
▸ ’s Middags dwaalde ik doelloos door de straten van de oude stad en kwam een winkel tegen waar allerlei verfspullen werden verkocht.[5]
- Hij opende in 1924 een winkel voor groente-, bloem- en landbouwzaden in Rotterdam en ging al snel over op het zelf ontwikkelen van nieuwe groenterassen.[3]
Een pralinewinkel in hartje Brussel- [
](//nl.wiktionary.org/wiki/Bestand:Oude%5Fkruidenierszaak,%5Fpic1.JPG "Een nagebouwde kruidenierswinkel in het Museum "Terug in de tijd"")
- [
](//nl.wiktionary.org/wiki/Bestand:Mient%5F16,%5Fde%5FN.L.%5Fzaak%5F%28Burmania%29.%5FOnderpui.%5FWinkel%5Fvoor%5Flosse%5Fonderdelen%5Fvoor%5Fo.a%5Ffietsen.%5FOok%5Fverk%5F-%5FFO%5F1011268%5F-%5FRAA%5FElsinga.jpg ""Burmania" aan de Mient 16, Alkmaar, was een winkel waar gereedschap, ijzerwaren en autopeds werden verkocht.")
"Burmania" aan de Mient 16, Alkmaar, was een winkel waar gereedschap, ijzerwaren en autopeds werden verkocht.
Gelijkklinkende woorden
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- Een winkel van sinkel
Een niet erg hoogstaande winkel waar van alles door elkaar is uitgestald[6]
- Er is werk aan de winkel
Er is nog veel werk te verzetten
Overerving en ontlening
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| winkelen |
winkel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van winkelen
- Ik winkel.
- gebiedende wijs van winkelen
- Winkel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van winkelen
- Winkel je?
Gangbaarheid
- Het woord winkel staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "winkel" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 100 % | van de Vlamingen.[7] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ "winkel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- 1 2 winkel op website: Etymologiebank.nl
- ↑ 'Natuurlijke groei door kansen te benutten', rijkzwaan.nl
- ↑
Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
“Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024586332 - ↑
Tim Voors
“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers
- ↑ allesbedrijf, taalbank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Afrikaans
Woordherkomst en -opbouw
- van Nederlands winkel[1]
Zelfstandig naamwoord
winkel
Verwijzingen
Middelnederlands
Woordherkomst en -opbouw
- van Oudgermaanse stam "wink-", een zijwaartse beweging maken, waar ook wenken en wankel van zijn afgeleid; cognaat met Duits Winkel[1]
Zelfstandig naamwoord
winkel m
- hoek
Overerving en ontlening
Verwijzingen
Nedersaksisch
Zelfstandig naamwoord
winkel
Veluws
Zelfstandig naamwoord
winkel