wollen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen (alleenattributief)
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

wollen

  1. gemaakt van wol
    • Hij draagt sinds kort weer wollen sokken.
      Verder zaten er handschoenen, een lange wollen onderbroek, een sneeuwbril en een hele lading pillen in.[1]
      Caspar Witsen, met zijn woeste haardos, die slaphangende wollen sjaal om zijn nek en die versleten schoudertas schuin over zijn lichaam, staat op de drempel van de ontvangkamer.[2]
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen


  1. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia

  2. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
stamtijd
infinitief verleden tijd voltooid deelwoord
wollen [ˈvɔlən] wollte [ˈvɔltə] gewollt [geˈvɔlt]
volledig

Werkwoord

wollen

  1. modaal werkwoord willen
    «Ich wollte gerade meine E-Mails abrufen.»
    Ik wilde gewoon mijn e-mail checken.
stellend vergrotend overtreffend
wollen
alle verbuigingsvormen

Bijvoeglijk naamwoord

wollen

  1. wollen, van wol