zwager - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zwager zwagers
verkleinwoord zwagertje zwagertjes

Zelfstandig naamwoord

de zwager m

  1. (familie) de echtgenoot van een broer of zus of de broer van een echtgenote
    In 2002 brak Runge zijn academische carrière af, gooide het roer om en werd buschauffeur bij het touringcarbedrijf van zijn zwager, Tommy Bendler.[3]
    Ik wil iedereen bedanken die tijdens het schrijven van dit boek geduld met me heeft gehad en vanaf het allereerste begin in het idee heeft geloofd: mijn gezin, mijn broers en zussen, mijn schoonzussen en zwagers en mijn goede vrienden.[4]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "zwager" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. zwager op website: Etymologiebank.nl

  3. Håkan Nesser
    “Herfst op Gotland” (2021), De Geus (uitgeverij), ISBN 9789044535624

  4. Mitch Albom
    “De klokkenmaker” (2012), SAGA, ISBN 9788726876796
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be