aaneenschakelen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
aaneenschakelen aaneenschakelend
aaneenschakeling aaneengeschakeld
- aaneenschakelbaar
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
aaneenschakelen schakelde aaneen aaneengeschakeld
zwak -d volledig

Werkwoord

aaneenschakelen

  1. overgankelijk met schakels verbinden (ook fig.)
    • Hij heeft de beide machines aaneengeschakeld.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. met schakels verbinden

Bulgaars: съединявам (bg), сцеплявам (bg), присъединявам (bg) Deens: sammenføje (da) Spaans: concatenar (es), concadenar (es)

Gangbaarheid