aangezicht - WikiWoordenboek (original) (raw)

aangezicht

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aangezicht aangezichten
verkleinwoord aangezichtje aangezichtjes

Zelfstandig naamwoord

het aangezicht o

  1. voorzijde van het hoofd, met daarin de ogen, neus en mond
    Aangezicht, borstkas en armen dienen natuurlijk enigszins op orde te zijn, maar zelfs daar verdraagt de ongedwongenheid van het thuiswerken zich met losbandige vrijetijdskleding en minimale persoonlijke hygiëne.[3]
    Het Braziliaanse publiek, dol op uiterlijk vertoon, omarmde hem in 1961, toen hij na een brand in een circustent slachtoffers met vreselijke brandwonden opereerde. Onder hen veel kinderen, die dankzij Pitanguy weer een normaal aangezicht kregen.[4]
  2. (figuurlijk) manier waarop iets zich laat zien
    Ook veel bezoekers vinden het nagenoeg lege warenhuis een triest aangezicht.[5]
    Het verbeteren van wijken begint met het verbeteren van het aangezicht van de wijk en van de huizen.[6]
Schrijfwijzen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Spreekwoorden

Sterk lijken op iemand.

wie zijn goede naam verliest komt in moeilijkheden

Typische woordcombinaties

vis-à-vis in een direct contact met iemand

Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen