aanhebben - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
aanhebben had aan aangehad
onregelmatig volledig

Werkwoord

aanhebben

  1. absoluut een kledingstuk of sieraad dragen
    • Ze had haar bikini aan.
      De resterende vijf maanden heb ik nooit meer een onderbroek aan gehad [sic!][1]
      In de ogen van de muzieksnob zijn we de muziek waar we naar luisteren. Wat de kledingsnob betreft, zijn we de broek die we aanhebben.[2]
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen