aanplakken - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
aanplakken plakte aan aangeplakt
zwak -t volledig

Werkwoord

aanplakken

  1. overgankelijk aan iets vastplakken
    • Bij de vorming van het meervoud wordt er aan een Engels zelfstandig naamwoord meestal een -s aangeplakt.
  2. overgankelijk met aanplakbiljetten meedelen
    De thesaurier had een bulletin laten aanplakken over de gezondheidstoestand van de groothertog en heel wat mensen stonden het te lezen.[1]

Gangbaarheid

Verwijzingen


  1. Victoria Holt
    “De Engelse gouvernante” (1981), Saga, ISBN 9788726484823