aansporen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
aansporen aangespoord
aansporing
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
aansporen spoorde aan aangespoord
zwak -d volledig

Werkwoord

aansporen

  1. overgankelijk nadrukkelijk aanzetten tot een bepaalde actie
    • Zij werden aangespoord door hun supporters om niet op te geven.
      Hoewel sommige hersencellen haar aanspoorden tot vriendelijke lichaamstaal, wilde een bepaald gedeelte hieraan niet meewerken.[2]
      Kardashian droeg de originele jurk overigens alleen op de rode loper; eenmaal binnen trok de realityster een replica van de jurk aan. Toch kwam er vandaag kritiek vanuit de museumwereld: conservatoren wezen op de kwetsbaarheid van historische kledingstukken en vrezen dat Kardashian met haar keuze anderen aanspoort om ontwerpen te dragen die achter glas thuishoren.[3]
Synoniemen
Vertalingen

1. opwekken

Duits: anspornen (de), anregen (de) Engels: spur on (en) Italiaans: eccitare (it) Spaans: espolear (es), aguijar (es), aguijonear (es), estimular (es), instigar (es), incitar (es), aguzar (es), animar (es), impeler (es), acuciar (es)

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen