aanstellen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
aanstellen stelde aan aangesteld
zwak -d volledig

Werkwoord

aanstellen

  1. overgankelijk iemand ~ tot: benoemen
    • Hij werd aangesteld tot bestuurder.
  2. wederkerend zich ~: zich overdreven gedragen, onecht doen
    • Ach, stel je niet zo aan!
      Ze leek zenuwachtig. Teresa had naar het meisje gekeken toen Sarah tegen haar had gezegd dat ze zich niet moest aanstellen; het was alsof ze wel over de woorden beschikte om terug te vechten, maar ze opgesloten hield onder haar schedeldak. Er zat iets gespannens in haar lichaam, in de bewegingen van haar handen. Ze deed Teresa denken aan een gekooid dier, rusteloos, omdat er iemand te dicht bij de tralies was gekomen.[2]
      Wij mogen dan weifelen, boos of onzeker worden en ons aanstellen, maar met een beetje geluk zal in het werktuig dat we maken uiteindelijk geen spoor van onze zwakheden achterblijven.[3]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen