aanstoten - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
aanstoten stiet aanstootte aan aangestoten
klasse 7zwak -tgemengd volledig

Werkwoord

aanstoten [1]

  1. overgankelijk stoten tegen
    Ze bleven maar giechelen en elkaar aanstoten.[2]
    Ze wist nauwelijks welk station het was, maar sprong overeind en rende weg, rende het perron op en de trap af, een drukke straat op en daardoorheen, langs het ene en het andere huizenblok, voorbijgangers ontwijkend en aanstotend.
  2. overgankelijk klinken
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

de aanstoten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aanstoot
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).

  2. Victoria Holt
    “Gevangene van de Pasja” (1989), Saga, ISBN 9788726484915
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be