abrupt - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen abrupt abrupter abruptst
verbogen abrupte abruptere abruptste
partitief abrupts abrupters -

Bijvoeglijk naamwoord

abrupt

  1. onverwachts optredend
    • Er was een abrupte verandering in de temperatuur.
    • De regen leek daarnet af te zwakken, maar stopte niet; en toen, in een abrupte overgang van toon, werd hij nog heviger, nog duchtiger, alsof het voorafgaande slechts een prelude is geweest voor het echte plenswerk. [2]
Synoniemen

Bijwoord

abrupt

  1. ineens, plotseling, plotsklaps
    • De temperatuur veranderde abrupt.
      Harald bleef abrupt staan.[3]
      Hij kwam abrupt overeind en zei dat hij alleen moest zijn, dat het eten zou moeten wachten.[4]
      Ze wierp me een blik toe, draaide zich toen abrupt om en liep de deur uit.[5]
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. "abrupt" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Valens, Anton
    Het compostcirculatieplan 2016 ISBN 978-90-254-4685-7 pagina 15

  3. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044625691

  4. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628142

  5. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
abrupt more abrupt most abrupt

Bijvoeglijk naamwoord

abrupt

  1. abrupt
  2. gescheiden
vervoeging
onbepaalde wijs to abrupt
he/she/it abrupts
verleden tijd abrupted
voltooid deelwoord abrupted
onvoltooid deelwoord abrupting
gebiedende wijs abrupt

Werkwoord

abrupt

  1. overgankelijk afbreken [2], onderbreken, verstoren
Afgeleide begrippen