abuis - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord abuis abuizen
verkleinwoord abuisje abuisjes

Zelfstandig naamwoord

het abuis o

  1. misvatting, vergissing, misverstand, fout
    • Per abuis hadden we de verkeerde brief opengemaakt.
      De hond, Levi Shotz, is per abuis op de zwarte lijst gezet. De hond vermoedt dat die ernst, je zou het zelfs intelligentie kunnen noemen, die hij bij andere honden niet of nauwelijks bespeurt, bij hem is teweeggebracht doordat wijlen zijn baasje, een in ongenade geraakte historicus, hem zijn clandestiene politieke pamfletten voorlas.[3]
Vertalingen
stellend
onverbogen abuis
verbogen (alleenpredicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

abuis

  1. mis, verkeerd
    • Hij gaf grif toe dat hij abuis was.
Synoniemen
Typische woordcombinaties

zich vergissen

per ongeluk

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. "abuis" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. abuis op website: Etymologiebank.nl

  3. Safae el Khannoussi
    “Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim op Wikipedia, ISBN 9789493339125
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be