achten - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
achten 'ɑxtə(n) achtte 'ɑxtə geacht ɣə'ʔɑxt
zwak -t volledig

Werkwoord

achten

  1. overgankelijk beschouwen, van mening zijn, houden voor
    • Ik acht u daartoe in staat.
  2. achting geven, een positieve mening hebben over
    • Ik achtte mijn schoonvader heel hoog.
  3. acht slaan op = letten op
    • Als je op de computer werkt moet je acht slaan op de meldingen die op het scherm verschijnen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

de achten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord acht

Zelfstandig naamwoord

achten

  1. roeiwedstrijd tussen achtpersoonsboten (achten)
  2. datief van acht na voortzetsels bij tijdsaanduidingen
    • Het zal rond achten geweest zijn.
Uitdrukkingen en gezegden

Zij waren acht in getal.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "achten" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. achten op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Middelnederlands

Werkwoord

achten

  1. achten; beschouwen, van mening zijn, houden voor
  2. achten; achting geven, een positieve mening hebben over
  3. verwachten
  4. opletten