afgrijzen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afgrijzen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

het afgrijzen o

  1. een gevoel van ontzetting en afkeer
    • Ik keek met afgrijzen naar het gebeurde ongeval.
      Zijn gezicht was een masker van afgrijzen.[3]
      ' 'Waren er nog meer puppy's?' zegt Lot tegen Vincenzo, die haar vraag weer vertaalt voor de boer. Nadat de boer heeft geantwoord en Joy vol afgrijzen kijkt, zegt Vincenzo: 'Laten we maar zeggen dat ze er niet meer zijn.[4]
Vertalingen

1. een gevoel van ontzetting en afkeer

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. "afgrijzen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. afgrijzen op website: Etymologiebank.nl
  3. All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2

  4. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be