afranselen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
afranselen ranselde af afgeranseld
zwak -d volledig

Werkwoord

afranselen

  1. overgankelijk mishandelen door middel van het toedienen van slaag
    • Hé, hou op met het afranselen van die jongen, anders bel ik de politie!
Vertalingen

1. een pak slaag geven

Engels: thrash (en), beat up (en) Duits: verprügeln (de), verhauen (de) Frans: rosser (en) Noors: banke (no), banke opp (no) Nynorsk: banke (nn), banke opp (nn) Spaans: zurrar (es), vapulear (es), azotar (es), apalear (es), aporrear (es), brumar (es), pegar (es), trillar (es)

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be