afscheid - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·scheid
Woordherkomst en -opbouw
- In de betekenis van ‘het scheiden’ voor het eerst aangetroffen in 1450 [1]
- uit het Middelnederlands [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afscheid | - |
| verkleinwoord | afscheidje | afscheidjes |
Zelfstandig naamwoord
het afscheid o
- een begroeting bij het elkaar verlaten
- Bij een afscheid kun je beter zeggen tot ziens dan vaarwel, want bij vaarwel denk je iemand nooit weer te zullen ontmoeten.
- Plotseling voelde hij dat het tijd werd afscheid van de oude man te nemen en een poging te doen om de andere oever te bereiken.[3]
▸ Het afscheid van de gestorven graaf is officieel een privéaangelegenheid. Maar een rouwstoet met vijfhonderd genodigden die van de Grote Kerk in het centrum van Almelo naar het mausoleum op het grafelijke landgoed ten oosten van de stad wandelt is ook een publieke aangelegenheid.[4]
▸ Ze namen afscheid als de beste vrienden met wederzijds eerbetoon.[5]
▸ Ook boer Henk Koster kwam afscheid nemen. "Ik heb de hele ontwikkeling meegemaakt, vanaf het begin. Lenie 't Hart kwam vroeger bij ons spullen lenen om zeehondenpups groot te krijgen. Wat hier is opgebouwd, is een succes voor Pieterburen én voor de zeehonden. Voor de levendigheid in het dorp was het beter geweest als het hier was gebleven", zei hij.[6]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- Afscheid nemen[7]
Vertalingen
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| afscheiden |
afscheid
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afscheiden
- ... dat ik afscheid.
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich afscheiden
- ... dat ik me afscheid.
Gangbaarheid
- Het woord afscheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "afscheid" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 100 % | van de Vlamingen.[8] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ "afscheid" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ afscheid op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Herzen, Frank
De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 80 - ↑
Weblink bron
Henk van Schuppen
“Uitvaart Heer van Almelo: nog één keer passeert graaf Van Rechteren de Limpurgsingel” (22-11-2019), Tubantia - ↑
Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
“Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus
, ISBN 9789044628142 - ↑
Weblink bron “Pieterburen is echt (bijna) leeg na vrijlating Ollie en Brandy” (20 april 2025), NOS - ↑ Tot en met de 19e eeuw werd deze uitdrukking vaak gecombineerd met een bezittelijk voornaamwoord (mijn afscheid nemen, zijn afscheid nemen, etc.)
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be