afspoelen - WikiWoordenboek (original) (raw)
afspoelen
- overgankelijk een opgewonden draad of band van een klos afwentelen
- Ik heb het hele garen afgespoeld en opnieuw opgewonden.
- overgankelijk iets oppervlakkig reinigen door het onder stromend water te houden
- Ik heb de kopjes even afgespoeld.
- ergatief ~ van door stromend water van zijn plek gehaald worden
- Ik had dat niet opgeborgen en nu is het van het dek afgespoeld.
| 100 % |
van de Nederlanders; |
| 100 % |
van de Vlamingen.[1] |
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be