afspoelen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
afspoelen spoelde af afgespoeld
zwak -d volledig

Werkwoord

afspoelen

  1. overgankelijk een opgewonden draad of band van een klos afwentelen
    • Ik heb het hele garen afgespoeld en opnieuw opgewonden.
  2. overgankelijk iets oppervlakkig reinigen door het onder stromend water te houden
    • Ik heb de kopjes even afgespoeld.
  3. ergatief ~ van door stromend water van zijn plek gehaald worden
    • Ik had dat niet opgeborgen en nu is het van het dek afgespoeld.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be