afspraakje - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord (afspraak) (afspraken)
verkleinwoord afspraakje afspraakjes

Zelfstandig naamwoord

het afspraakje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord afspraak
    Bel de praktijk voor een kort afspraakje om het draadje af te knippen.[1]
  2. alleen verkleinwoord belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten
    • Het afspraakje verliep zoals hij hoopte.
      Wijfie giechelde met de elegantie van een jong kippetje tijdens haar eerste afspraakje.[2]
      'Wat is dit? Wil je soms een afspraakje met me, Odelle?'Ik wist geen woord uit te brengen.[3]
Vertalingen

2. belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten

Gangbaarheid

Verwijzingen