afspraakje - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: afspraakje (hulp, bestand)
- IPA: / ˈɑfsprakjə / (3 lettergrepen)
Woordafbreking
- af·spraak·je
Woordherkomst en -opbouw
| [2] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | (afspraak) | (afspraken) |
| verkleinwoord | afspraakje | afspraakjes |
Zelfstandig naamwoord
het afspraakje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord afspraak
▸ Bel de praktijk voor een kort afspraakje om het draadje af te knippen.[1] - alleen verkleinwoord belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten
Vertalingen
2. belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten
Gangbaarheid
- Het woord afspraakje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.