afspreken - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
afspreken sprak af afgesproken
klasse 4 volledig

Werkwoord

afspreken

  1. overgankelijk een onderling vergelijk vastleggen, overeenkomen
    • Zij spraken af om de vergadering te verzetten.
      Om de week spraken Genie, Jetfighter en ik af in een lokaal café om te ontbijten en de trailroddels door te nemen. We waren geen vaste trailfamilie, maar wel een sterke drie-eenheid die elkaar steeds opzocht.[1]
      Achter hen stonden Max en Dennis met grote ogen te kijken naar de achterkant van een klein fototoestel dat Sander vasthield. Alsof het zo was afgesproken, stapte Denise de kamer binnen op het moment dat zij alle aanwezigen kort had bekeken.[2]
Vertalingen

1. een onderling vergelijk vastleggen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen