afwezigheid - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: afwezigheid (hulp, bestand)
- IPA: / ɑfˈwezəxˌhɛit / (4 lettergrepen)
Woordafbreking
- af·we·zig·heid
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afwezigheid | afwezigheden |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
de afwezigheid v
- het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
▸ Het was nog te vroeg om te weten of ik blind en/of dwaas was geweest om zo lang van huis te zijn. De tijd zou uitwijzen wat de gevolgen van mijn lange afwezigheid zouden zijn op mijn kinderen.[2]
▸ Ik voelde Quicks afwezigheid in de gangen, wetende dat ik nooit meer naar haar kamer zou worden geroepen voor de lunch, en dat het restaurant naast het Skelton nooit meer een koude fles van hun beste sancerre zou brengen.[3]
Antoniemen
Vertalingen
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
Gangbaarheid
- Het woord afwezigheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "afwezigheid" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ afwezigheid op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Tim Voors
“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers
- ↑
Jessie Burton (vert.Marja Borg)
“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be