Hij week af van de norm en deed wat hij zelf wilde. ▸ 184 Hij drukt de jongeren op het hart dat ze een priester die van het rechte pad afwijkt daar zeker op mogen aanspreken.[1]
inergatief iets doen wat in strijd is met wat men normaal zou doen
Waarom heeft het dagelijks bestuur afgeweken van het advies van de commissie? ▸ Als ze afweek van de spontaan geplande route zou dit een nat pak kunnen betekenen.[2] ▸ Xin bleef onder de sterren zitten, die geen fractie van hun gebruikelijke koers afweken, ondanks alle tumult in de wereld daaronder, tot in het oosten de dageraad aanbrak.[3]
niet volgen van de juiste weg; niet volgen van de juiste richting ▸ Zodra ze een beetje afwijkt richting de straat, duwt hij haar terug.[4]
anders zijn ▸ Ik vraag Telegraaf-journaliste Marianne Janssen hoe het mogelijk is dat haar weergave van het voorwoord afwijkt van het werkelijk gepubliceerde voorwoord.[5]