afzeggen - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·zeg·gen
Woordherkomst en -opbouw
- samenstelling van af bw en zeggen ww
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs | verleden tijd | voltooid deelwoord |
| afzeggen | zegde afzei af | afgezegd |
| zwak -donregelmatig | volledig |
Werkwoord
afzeggen
- overgankelijk aangeven dat men niet gaat komen
- Ik heb dat feest afgezegd omdat ik me niet goed voelde.
- inergatief ~ voor: aangeven dat men niet gaat komen
- Ik heb afgezegd voor het feest omdat ik een andere afspraak had.
Synoniemen
Vertalingen
1. aangeven dat men niet gaat komen
Gangbaarheid
- Het woord afzeggen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "afzeggen" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 98 % | van de Vlamingen.[1] |
Verwijzingen
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be