akker - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord akker akkers
verkleinwoord akkertje akkertjes

Zelfstandig naamwoord

de akker m

  1. (landbouw) afgeperkt stuk land dat bestemd is bebouwd te worden met een gewas
    • Op de Groningse akkers worden veel suikerbieten verbouwd.
      We lopen al lang niet meer over een pad, maar dwars over een akker heen, de ruïne steeds verder achter ons latend.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

onbezorgd er maar op losleven

Vertalingen

1. afgeperkt stuk land dat bestemd is bebouwd te worde met een gewas of graan

Werkwoord

vervoeging van
akkeren

akker

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van akkeren
    • Ik akker.
  2. gebiedende wijs van akkeren
    • Akker!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van akkeren
    • Akker je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "akker" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. akker op website: Etymologiebank.nl

  3. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Achterhoeks

Zelfstandig naamwoord

akker

  1. (landbouw) akker

Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

akker

  1. (landbouw) akker
Schrijfwijzen

Oost-Fries

Zelfstandig naamwoord

akker

  1. (verouderd)(landbouw) akker
Schrijfwijzen

Veluws

Zelfstandig naamwoord

akker

  1. (landbouw) akker