alledaags - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen alledaags alledaagser alledaagst
verbogen alledaagse alledaagsere alledaagste
partitief alledaags alledaagsers -

Bijvoeglijk naamwoord

alledaags

  1. gewoon, normaal, niet bijzonder
    • De beroemde artiest bleef een alledaags meisje dat normaal bleef doen zonder sterallures en dat wat eigenlijk ook heel bijzonder.
      Het was te ver verwijderd van de alledaagse werkelijkheid en de realiteit van menselijke emoties, behoeftes en imperfecties.[1]
      Uit elk rimpeltje op haar alledaagse gelaat sprak opeens medelijden.[2]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

alledaags

  1. partitief van de stellende trap van alledaags
    • Dat is iets alledaags...

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen